
Bakkums woorden en gezegdes of uitspraken
ALFABETISCHE VOLGORDE
Aan het Labbere End - bekaf, (dodelijk) vermoeid
Ach meid, schijt in je panty - hou je mond kreng
Allegaar - allemaal
Alles op de richel hebben - alles in orde hebben
Allìngs - steeds
Als de zon schijnt zie je zijn blaas hangen - gezegd van een mager persoon
An het labbere end zijn - aan het eind van je Latijn zijn
Anderhalve man en een paardenkop - weinig toeschouwers/bezoekers
Auzig - verlopen, meestal van voedsel.... niet bedorven, maar zeker ook niet vers
Badgast - pensiongasten(was een bron van inkomsten voor menig bakkummer)
Barrel - rotding
Batsers - schoenen
Basseroeten - ongecoördineerd buiten rommelen en spelen
Bekemen (spr. uit Békummuh) - een vuurtje stoken, tuinafval verbranden
Bekijk het maar met je hap - zoek het maar uit
Benauwde hengst - zuinig persoon
Bestrukkie - persoon die er niet uitziet
Bietsen - zeuren om iets
Bikkecementen - eten
Bikken - eten
Blauwschokkers - capucijners
Boerenkarhengst - een onbeschaafd persoon (meestal mannelijk)
Boetje - schuurtje/klompenhok
Bolle Eb - dik iemand
Borstig - verkouden
Brok onverschil - zeer onverschillig iemand
Bulletand - tulband (banket)
Bunzig - angstig
Cascenade/Kaskenade - een toestand maken
Daapsen - personen die niet sporen
Dat is de hele kiksaus - daar gaat hem om
De bietenbrug opgaan - je ellende tegemoet gaan
De bout haggelen - de hik krijgen
De bout haggelen.... je ken me de bout haggelen - ik wil met jou niets meer te maken hebben
De racekak - de diarree
De Tientoon en de Elferib - figuren om kinderen mee bang te maken, als die na donker nog buiten wilden spelen
De Wabber hebben- lichamelijk: misselijk zijn, geestelijk: niet in orde zijn in je kop
De Zen haren - de zeis slijpen door met een hamer op het ijzer te tikken
Deeg van - zin in
Dekhengst - klootzak
Die heb ook de kraaienmars geblazen - die is overleden
Die is zo lui als het paard van Christus (en dat was een ezel) - een lui iemand
Die schijt ook niet voor elven - die is ook niet goedkoop
Diggelwerk - servies
Dikke bonker - dikke jas
Doerak - iemand die altijd (katte)kwaad in de zin heeft
Drabber - vervelend persoon
Drallen - besluiteloos heen-en-weer lopen
Dransen - janken, maar niet met uithalen. Meer, dat er een paar tranen biggelen
Dreinen - zeuren
Dronken als een godmajoor/maleier - erg dronken
Dronken vrouw is een engel in bed - dat is duidelijk genoeg, ontstaan tijdens Bakkummer Oorlog (kermis)
Dundas - iemand die niet is te vertrouwen.(cfr. Engelse Generaal Dundas, Slag bij Castricum {1799})
Dweperd - iemand die maar blijft doorzeuren over een bepaald onderwerp
Een blauwe kop hebben - een door de alcohol getekend gezicht hebben (couprose?)
Een bokkenees - een stuurs persoon
Een grauw en een snauw krijgen - afgebekt worden
Een halve malle - een halve gare
Eenig - geweldig, fantastisch
Een Kitteljacht kinderen - heel veel kinderen
Een klapper maken - goeie zaken doen
Een krent - een gierig persoon
Een luie verdommeling - een luiaard
Een minne aap, een minne bonker - een slecht persoon
Een schop voor zijn reet - een schop onder zijn kont
Een slag voor zijn harses - een klap voor zijn kop
Een spie in de broek zetten - broek vermaken met een driehoekig lapje
Een stuk valderap - een onsympathiek persoon
Elf en dertigst (Op z'n...)- langzaam aan
Eppetep (miereneuker) -
Ermeneren - niet zo doorzeuren (ook wel Jeremejeejen... cfr. bijbelse figuur Jeremias)
Fatsig - dik vet persoon
Flodderen - rondzwerven met het oogmerk zich te amuseren
Floepert - hufter
Flook - laag bij de grond
Fok - bril (cfr. Focaliseren, waarschijnlijk door Derper vissers meegebracht uit Engeland)
Fots - peuk
Frok - jurk
Fuik - onderbroek
Gallemiezen (naar de...)- gezegd van iets dat stuk is
Garten - wild rennen, wild doen
Gepenkop - wit gezicht, dat er slecht uitziet. Ongezonde uitstraling
Gewerenvet schijten - bang zijn
Gieren van de honger -trek hebben
Glauwen - gluren
Glop/Gloppie - inham, steeg, duinpannetje
Gnokken - een soort bedelen
Gnorken - gratis genieten, lekker thuiszitten
Goeie goed - nette kleren
Graaien - pakken wat je pakken kunt
Groffe ket - robuuste vrouw
Grof geschut - recht toe recht aan, niet volgens plan een klus doen
Groos - trots
Grote fantast - uitslover
Grot - groot
Gruizig zijn - graag willen (van eten of sex)
Guil - groot kind
Haantje Pik - Mythische figuur om kinderen bang te maken (trok kindertjes in een wak en onder het ijs)
Halve zool - iemand die niet goed wijs is
Hanetree - pas van een uit de pas lopend paard
Heinen - de slootkant maaien
Hengstenbal - feestelijke bijeenkomst zonder vrouwen
Het huissie bij het skuurtje laten - ordentelijk en risicoloos handelen
Het is eb in de kist - geld is op
Het ouwe goed moet eerst op - ouderen moeten het meeste werk opknappen
Het rooit erop - het lijkt erop
Het schort me niet - ik heb er de energie niet voor
Het zit mij wel ruig - het zit mij wel goed
Hij is hemelen - hij is overleden
Hij is poepmars - hij is overleden
Hij ziet zwart van de magerte - hij is dun
Hillegaar - helemaal
Hossie - klompenhok (overdekt, maar met open ingang en uitgang)
Huppelwater - champagne (of een goedkoper alternatief)
Hutten - Klompen of grote werkschoenen
Iemand opknappen - iemand een lesje leren
Iemand voor zijn kloten schieten - iemand met een vuurwapen raken
IJp - huisarts (gedateerd)
Ik heb een buik (buuk) als een boetje - Ik heb een buik als een voorraadschuur (met dank aan Marit)
Import - mensen wier familie korter dan 100 jaar in Bakkum of Castricum woont
In de buien raken - van slag raken
Je balg volvreten - weer lekker eten, een 'rijke' maaltijd verorberen
Je ken er je kont niet keren - het is er vrij klein
Je lult lekker maar je vreet beter - je denkt er nogal makkelijk over
Je moet er van houden zij Geesie (Kaag) - iets lekker vinden
Je padje in korten - langzamerhand naar huis afzakken, bijvoorbeeld uit de kroeg vandaan
Je poten onder andermans tafel steken - geen eigen huis hebben
Jut .- groot
Kachel een gier geven - kachel hoger zetten
Keep houden - en maar doorgaan
Ket - klein paard
Kettenkar - paard-en-wagen
Kiekkast - TV
Klaploper - op andermans zak teren
Klauwen - jatten
Klein wereldje - word gebruikt als het mistig is
Klotje - hoofddeksel
Kluft - helling
Knecht - jongen
Kneert - zuinig iemand
Koetelen - rommelen
Kriegel - geirriteeerd
Krentemik - krentebrood
Kruikenduiker - apart geval
Kween - iemand van tweeledig (hermafrodiet) of onduidelijk geslacht
Laaielichter - dief
Labbekak - slap persoon
Labbiekop - groot hoofd
Lappie - een stuk draadjesvlees
Lapzwans - Een luiaard
Leip - gestoord
Lekkere knurft - tegen een lief knuffelbaar kind
Liegen dat je knapt..."Hij liegt dat ie knapt" - Het is een leugenaar
Loof - moe... ergens Loof van zijn
Loof ken lang an - vermoeidheid kan je toch nog wel lang volhouden
Lup (ook wel Lub)- Een sloom iemand
Lurken - drinken
Madderen - rommelen, terwijl het niet lukken wil... (cfr. "wat een gemadder")
Magere hekkespringer - dun iemand
Malende - gek
Mans zat - genoeg zo
Manse aap - mans
Manziek - gek van mannen
Meesten - uitbuiken na het eten
Meleur - pech (van het Franse 'malheur')
Meukel kijken - tevreden zijn, een bepaalde blik in de ogen
Melik - mond
Met het spoor mee - met de trein
Metworst - rookworst
Miersig zijn- trek in iets hartigs hebben
Minne priester - waardeloos persoon
Mijn pakkie aan - dat maak ik wel uit
Miskieper - een vervelend persoon en dat is nog zacht uitgedrukt.
Moeretreiter - een moeilijk (handelbaar) kind
Mollinroes - Moulin Rouge (aardbeiensoort)
Mudjevol - geheel gevuld
Nachtronker-iemand die niet gauw moe wordt
Nakommertje - kind dat geruime tijd na de broers en/of zusters geboren is
Narrelig - slecht gehumeurd/niet lekker in je vel/niet zo lekker (fysiek gesproken)
Neuchus - een bepaald persoon
Niet goed snik zijn - niet helemaal lekker
Onder laatst - pas geleden
Op je luie reet zitten - niets uitvoeren
Op een hip en een drip - op stel en sprong, geen rust, het moet nu gebeuren
Open lijf houden - ervoor zorgen niet te gaan lijden aan verstopping
Ouwe bende - ouwe rotzooi
Pappenheimers -
Peeuwen - Aanstellerig janken door kinderen, zeuren. "Zit niet zo te peeuwen."
Pendek - onderbroek, werd in de marine en bij zeelui gebruikt, met dank aan FJ uit Beverwijk.
Pent - appelmoes
Petieterig - klein
Pienantie - penalty (voetbal)
Pijn in je harses - hoofdpijn
Pijn in je lijf - je niet lekker voelen
Pingelen - dribbelen met een voetbal
Plaat voor je harses hebben - eigenwijs iemand, schijt aan alles
Poepelengein - rotzooi
Poestig - assertief, maar ook gauw aangebrand
Poremen, het moet wel poremen - het moet er wel goed uitzien Het poremt niet - Het ziet er niet uit
Poten - vooraf beslissen wie er mag beginnen een team samen te stellen bij straatvoetbal
Presie an - netjes aanzitten
Pronkziek - opschepperig met uiterlijkheden
Proffel - door elkaar (Op een proffel liggen)
Prossen - interessant doen
Pullen - kuikens, kinderen
Puur - erg, zeer
Raliballen van de kou - trillen van de kou
Rapalje - raddraaiers
Reuring - gezellligheid en bedrijvigheid
Rijp voor Duin en Bosch - niet helemaal 'lekker'
Rijzen - stokken om de bonen tegen aan te laten groeien
Rondom dronken - totaal bezopen
Rooie - een socialist of een communist
Rooien en valen zijn donderstralen - gedateerd commentaar op mensen met rood of blond haar
Roust - stelen, jatten
Rozig - slaperig na in de frisse buitenlucht te zijn geweest
Scheet dwars voor je hol - dat je ergens last van hebt
Scherpveugel - die is slim en bij de wekker
Schijt aan dronken naatje - lak aan iets hebben
Schijt aan dronken naatje - overal lak aan
Skarensliep - scharenslijper
Skarren - benen (Die heeft magere skarren)
Skietgeweer - geweer
Skik hebben - plezier hebben
Skitterend - schitterend
Skobberdebonken - Ongevraagd op visite komen met het oogmerk gratis te eten en te drinken
Skoer - schouder of gehele bovenlichaam (gedateerd)
Skoenen - schoenen
Skoon - schoon
Skroken - jeuk hebben
Skuur - schuur
Slachtig - handig (in het werk)
Snaaien - snoepen
Soebatten - kibbelen, discussiëren, met dank aan FJ uit Beverwijk
Soortig - dat je iemand wel ziet zitten
Spatsies - mans gedrag
Spoorbomen - spoorbomen, maar dan anders gezegd
Sprozig - sprozige lippen - schrale lippen
Stallendrijvers - buien
Stront voorop - iemand die ten onrechte al eerste word genoemd
Stront van een makke ijsbeer -
Sullie - jullie
Swiebel - nerveus of zenuwachtig zijn
Tadder/takkid - viespeuk
Te bed gaan - naar bed gaan
Teiltje - niet goed van worden
Temet - bijna
Thuishaalder - pleegkind
Tijdje op mijn zij staan - naar bed toegaan
Todje - smerig vrouwtje
Tontelig - smerig
Trefie - onderzetter
Uilenkiek - bril
Uit je tent houden - uit je huis weren
Uitheinig - druk, melig, er is 'storm op komst', vooral als er iets te gebeuren staat, vakantie bijvoorbeeld.
Urft - erf
Urten - erwten
Van je urft houden - van je erf weren
Verbrassen - geld er doorheen jagen
Verdaan - zelfmoord gepleegd
Verheneweerd (ook: verinneweerd)- er niet goed uitzien (van personen), kapot (van dingen)
Verlendig - vuil, gemeen
Vernaggelen - kapot maken
Verwaaiing - verliefd
Vlark - een stuk (taart)
Voor je gulp hebben - verliefd op iemand zijn
Voor je kroker hebben - verliefd zijn
Voor z'n ouwe moers kont weg - lukraak
Voos - ongezond
Wauws/waus/wous van - gek van
Wie niet steelt of niet erft moet werken tot hij sterft.
Wuljaduk - Welja
Wijffie - vrouwtje
Zen - zeis
'Zet die wortelenprak ('es) uit' - (door de sprekende partij niet gewaardeerde) muziek uitzetten
Zeven kleuren stront schijten - erg bang zijn
Zieken - de sfeer bederven, pesten
Zo fijn als poppestront - overdreven religieus
Zo loof als een kreng - erg moe
Zondagse goed - nette kleren
Zuinige beuker - zuinig persoon
Zwanger vanaf de beddeplank - zwanger geraakt in de eerste huwelijksnacht
Wilt u iets aanvullen aan deze lijst mail het naar: info@bakkumopzijnkop.nl
Met dank aan Willem van Cor van Lijp