De ultraloper Jan Knippenberg
Het drie keer per jaar verschijnende journalistieke sportboek Achilles, met
sportverhalen van toen en nu heeft een verhaal van Dirk Jan Roeleven over
ultraloper Jan Knippenberg. Hieronder een voorpublicatie.

Foto: ANP
Met name door zijn schrijverij zijn cameraman Arjan Kroon en ik in de ban van
ultraloper Jan Knippenberg geraakt. Poëtisch, mystiek, dwars, eigenaardig,
filosoferend. Deed ons een beetje aan Jack Kerouac denken vanwege de
ongepolijste stijl en de onbezonnenheid waarmee hij zich in avonturen wentelde.
Arjan en ik zijn op Texel om research te doen voor een documentaire over deze
man. Zonder opdracht, zonder zendgemachtigde, zonder budget, puur omdat we
gepassioneerd zijn. Beetje zoals Knippenberg zelf eigenlijk. Die ook wedstrijden
liep die niet bestonden. Hij vond ze zelf uit, zoals de Zestig van Texel die hij
in 1991 begon, zeven jaar nadat hij op Texel was gaan wonen. Die wedstrijd
bestaat nog steeds. Ook een versie van 120 kilometer. Uiteraard bedacht en zelfs
tijdens zijn ziekte nog gelopen door Jan Knippenberg zelve. Het loopevenement
heeft inmiddels officiële internationale status verworven.
We zoeken op dit eiland naar de ziel van hardloper Jan Knippenberg, een sportman
die niet alleen heel hárd kon lopen, maar vooral ook heel láng. Hij liep altijd
uren, nooit minuten. In zijn eentje of met zijn running mate Ron Teunisse, die
hij ‘De laatste Mohikaan’ doopte. Vanwege zijn lange blonde manen en ruige kop,
maar vooral omdat hij net als Jan Knippenberg hardlopen als een manier van
voortbewegen beschouwt, ingebed in het dagelijks leven, bijvoorbeeld om van huis
naar werk te komen. Geen in kleurige strakke pakjes gestoken Vinex-hobby.
Teunisse en Knippenberg hebben elkaar begin jaren tachtig ooit toevallig ontmoet
in de duinen van Castricum toen ze allebei richting IJmuiden renden. De een (Teunisse)
was op weg naar zijn werk als psychiatrisch verpleegkundige in Santpoort, de
ander (Knippenberg) liep na zijn werk als geschiedenisleraar aan het
plaatselijke Bonhoeffer College. Ze liepen gelijk op en herkenden de natuurloper
in elkaars passen. De twee solisten raakten aan de praat, het klikte en ze
zouden duizenden kilometers samen gaan lopen. Vaak ook ’s nachts.
In De Mens als Duurloper lezen we dat Teunisse dan in Castricum bij het huis van
de familie Knippenberg langs ging en een steentje tegen het slaapkamerraam
gooide.‘Jan, ga je nog mee?’ fluisterriep Teunisse dan. Er lag sneeuw en het was
volle maan. Dan liepen ze soms vier of zes uur aan een stuk door. Ze kwamen
langs de oude villa waar Gorter delen van zijn gedicht ‘Mei’ heeft geschreven.
Ron Teunisse citeerde dan Gorter om middernacht: ‘Twee jonge goden over zee
genaakten, wedijverend, met flikkerende voeten.’
Morgen zullen we hier op Texel Ron Teunisse ontmoeten bij Jan’s
echtgenote/weduwe Hanna Knippenberg thuis. Ze heeft een uitnodiging gestuurd aan
vrienden en familie om met een Memorial-dag haar tien jaar eerder overleden
geliefde te gedenken. Om 11.00 uur is er koffie aan de Vuurtorenweg. De
invitatie bevat een tekst van Jan Knippenberg (naar Alan Sillitoe, auteur van
The loneliness of the Long Distance Runner): ‘Als je er genoeg van hebt, je op
een vorstige morgen goed te voelen als de eerste mens op aarde en als je geweten
hebt hoe het is je rot te voelen als de laatste mens op aarde op een
zomermiddag, dan zul je tenslotte als de enige mens op aarde zijn en geen donder
meer om goed of slecht geven, maar gewoon verder lopen op je eigen
hardloopschoentjes, die kletsen op de goede en droge grond, die tenminste nooit
een rotstreek met je zullen uithalen.’
De volgende ochtend rijden we al vroeg over het eiland van Jan Knippenberg. Voordat we naar de Memorial gaan bij de vuurtoren op het uiterste noorden van het eiland rijden we een stukje zuidelijk via de Pontweg naar de Begraafplaats der Georgiërs, zoals dat op de landkaart van Texel plechtig staat aangegeven. De plek is bij een groep bomen op De Hoge Berg, een heuvelrug van kei-leem, in de voorlaatste ijstijd ontstaan en behorend tot de oudste stukjes Noord-Nederlandse grond. In die tijd liepen hier rendieren over de toendra van de drooggevallen Noordzee.
Jan Knippenberg ligt begraven op het kerkhof naast de erebegraafplaats van de in WO II gesneuvelde Georgiërs. Het houten hekwerk is smetteloos wit geschilderd. Aan de linkerkant staat ‘Ook U’ en rechts staat: ‘Wacht Ik’. De macabere spitsvondigheid dringt niet meteen tot ons door, maar de hele zin ‘Ook U Wacht Ik’ als welkomsttekst van een begraafplaats verdient wat ons betreft een prijs.
Achteraan, tegen de bomenrand, is het graf van Jan Knippenberg. Een peddel van
een kajak, afgetrapte bergschoenen en verweerde loopschoenen liggen verdekt
opgesteld tussen de planten op het graf. Op een mooie bronzen grafsteen wordt de
rennende figuur vergezeld door zijn bordercollie. Ernaast de tekst: ‘Lopen is
geen sport, maar een manier van reizen.’ Het zijn de eerste regels van het
citaat dat het omslag siert van De mens als duurloper. Het volledige citaat
luidt: ‘Lopen is geen sport, maar een manier van reizen, waarbij geest en
lichaam zich voortdurend verplaatsen. Lopen is daarom kunst en geen middel ter
bestrijding van welvaartskwaaltjes.’
Typisch Jan Knippenberg, de man die hardlopen niet als een wedstrijd zag, maar
als een manier van voortbewegen. Iemand die niet op tijden en polsslagen lette,
maar op de natuur onderweg. Een zwerver, een moderne nomade. In zijn columns
heeft hij ons geraakt met zijn pleidooien voor vrijheid van denken en handelen.
Onafhankelijk, tegendraads, eigenwijs. Een zoeker die tot aan Spitsbergen ging
in een kajak en die rende met de rendieren in Schotland. Zo’n man die je niet
dagelijks ontmoet, behalve dan in zijn stukken.
Jan Knippenberg begon op zijn twaalfde met hardlopen. Blootvoets op het strand
bij Hoek van Holland. Hij had vanuit huis een Engelse militair uit een
nabijgelegen kazerne zien langs rennen. In het laatste interview voor zijn dood,
met Kees Kooman voor Runner’s World, zegt hij daarover: ‘Hij had een bepaalde
stijl en dat trof mij toen. Ik weet nog steeds zeker dat dat het moment is
geweest waarop ik dacht: verdomme dat wil ik ook! Die man had een zekere
uitstraling: misschien was het wel vrijheidsgevoel of onafhankelijkheid. We
spreken over 1960.’
De kleine Knippenberg blijkt talent te hebben. Hij loopt op 1 juli 1969
clubrecords bij zijn atletiekvereniging in Maassluis en komt uiteindelijk in de
nationale atletiekselectie. Dat gaat met horten en stoten, want Jan is een
anarchist die zijn eigen plan trekt. Die bijvoorbeeld tien dagen voor een
kwalificatiewedstrijd over 30 kilometer besluit mee te doen aan een
wandelwedstrijd over 100 kilometer die ook ’s nachts doorging. Of die even
vanuit Hoek van Holland in Vlaardingen-Oost een brief gaat posten. Heen en weer
zo’n 40 kilometer.
In 1971 moet hij de nationale selectie verlaten wegens ernstige rugklachten.
Twee jaar later trekt hij er met een tentje op uit om in Schotland wedstrijden
hillrunning te gaan doen. Dat zijn recordpogingen over zeventig, tachtig
kilometer, dwars door de heuvels. Daar wint hij wat geldprijsjes (75 gulden voor
een tweede plaats) om zijn vakantie te kunnen betalen. Later gaat hij
solorecords vestigen in de Schotse bergen. Dan stempelt hij af op een
politiebureau, loopt door onherbergzaam gebied – niet zelden in de sneeuw – de
berg over, stempelt aan de andere kant bij de politie weer af. Zo loopt hij in
1973 in zijn eentje van Aviemore naar Braemar, een afstand van 58 mijl, zo’n
negentig kilometer. Hij wordt daarna lokaal The Flying Dutchman genoemd.
Tegen Kees Kooman spreekt Knippenberg in zijn afscheidsinterview over deze
tocht: ‘Het was een gebied dat zich maar met één woord laat omschrijven:
unheimisch. Je hoort de wind ruisen, het is donker, en je moet hoger en hoger.
Het ging sneeuwen, ik had een bril op en kon het eten en drinken dat ik een dag
eerder had klaargelegd natuurlijk nooit meer vinden. Maar het was prachtig, één
van de mooiste ervaringen in mijn leven. Met een beslagen bril klim je steeds
hoger, je ziet niets meer, want je loopt letterlijk in de wolken. Nou, dan word
je toch wat angstig, je kunt je enkel breken. Het is echt niemandsland. Dan daal
je rustig af en voelt, naarmate je dichterbij de beschaving komt, langzaam de
spanning van je afglijden.’
Dit is een voorpublicatie uit het nieuwe, drie keer per jaar verschijnende
journalistieke sportboek Achilles, met sportverhalen van toen en nu. (L.J. Veen,
144 pagina’s, € 12,50). Achilles 1 is vanaf 26 september in de boekwinkels
verkrijgbaar. Door Jurryt van de Vooren
