Ben Viegers werd in
1886 in Den Haag geboren. Als belangrijke stimulator van de jonge
Ben Viegers om het kunstenaarsschap te beoefenen, fungeerde zijn
grootvader van moederskant, grootvader Hulzing. Deze Haagse
koetsenbouwer legde de grondslag voor een kunstopvatting, die niet
losgezien kan worden van een solide ambachtelijke basis. Hier leerde
hij niet alleen de waardering voor het handwerk, maar hier leerde
hij ook daadwerkelijk tekenen, verf mengen, decoreren en andere
vaardigheden, die later goed van pas bleken te komen. Schilderde in
een impressionistische stijl, landschappen, stadsgezichten, zee- en
havengezichten, zeegezichten en duinlandschappen, stillevens en
bloemen.
Ben Viegers was waarschijnlijk verder een autodidact. Nergens zijn
concrete gegevens te vinden, die op een academische scholing wijzen.
Uit zijn vroege werk spreken de wil en de vastberadenheid om de
kneepjes van het veeleisende metier onder de knie te krijgen. Dat
hem dat uiteindelijk ook lukte is op te maken uit het feit dat hij
als volwaardig lid van de Haagse Kunstkring werd toegelaten. Hier
onderhield hij contacten met later zeer bekend geworden kunstnaars,
zoals; Jan Toorop, Aris Knikker en Jan Knikker. Het meest hecht was
zijn relatie echter met Charles Dankmeijer (1861-1923).
Na de eerste Haagse jaren en vele omzwervingen, vestigde Ben Viegers
zich in Nunspeet. Daar betrok hij een verwaarloosd pand aan de
Brinkersweg, dat hij eigenhandig opknapte. Zijn vader verhuisde mee
naar de Veluwe en bleef tot zijn dood bij zijn zoon wonen. Ondanks
de crisis en de oorlog was dit voor Viegers de periode waarin hij
vrij kon experimenteren. In Nuspeet maakte Viegers veel vrienden.
Zijn joviale aard viel vooral goed bij collega jaap Hiddink. De band
met Jos Lussenburg was minder sterk, omdat Ben Viegers deze nestor
van de Nunspeetse schilders enigszins zelfingenomen vond.
Veel meer nog dan in zijn Haagse jaren, manifesteerde Viegers zich
in zijn Veluwse periode als een rasechte pleinairist en een oprechte
levensgenieter. Hij schilderde het liefst in de buitenlucht. Van ?s
morgens vroeg tot ?s avonds laat trok hij er op uit. Hij hield van
gezelschap en had een gezonde aversie tegen artistieke poeha.
Een van zijn schaarse buitenlandse reizen maakte Viegers met Jaap
Hiddink en Henk van Leeuwen naar Normandie en Bretagne, waar hij een
vleugje van het zuidelijke temperament en de on-Nederlandse lichtval
kon ervaren.
In de oorlog bleef hij onverdroten schilderen. Soms ruilde hij een
schilderij voor voedsel, vaak werkte hij in opdracht. In 1940
vertrok hij naar Castricum omdat hij meende achter de Hollandse
waterlinie veiliger te zijn. Hij schilderde er de duinen en de zee,
maar toen de eerset bom in zijn achtertuin viel verhuisde hij in
paniek naar Hilversum, waar hij tot mei 1943 bleef wonen. Daarna
keerde hij terug naar Nunspeet.
Ben Viegers werk werd in zijn tijd als toegankelijk en gangbaar
beschouwd, al riep zijn temperamentvolle pallet soms tegenstrijdige
maar nooit heftige reacties op. Dat is op zijn minst opmerkelijk,
want ondanks de vastberadenheid waarmee hij vasthield aan
ambachtelijke vaardigheden, in zijn gewaagde kleurgebruik en
mediterrane toets onderscheidde hij zich zeker van de middelmaat.
Het oordeel van critici over zijn werk was wisselend, maar bijna
altijd mild en opbouwend. Grensverleggend was het niet. Toch hield
hij zich goed staande tussen een leger van hemelbestormers. Tijdens
het interbellum raasden er zware stormen door de kunstwereld die het
voorheen zo degelijke stelsel van normen en waarden flink aan het
wankelen hadden gebracht.
Viegers werd er niet of nauwelijks door uit zijn evenwicht gebracht.
Zowel in zijn Haagse periode als later in Nunspeet onderhield hij
contacten met collega?s die er andere idee?n op na hielden. Op de
een of andere manier werd het heilige vuur dat in hem brandde eer
niet door beïnvloed. Viegers ging zijn eigen gang en behield een
rotsvast geloof in eigen kunnen, zonder zich voor te laten staan op
zijn kwaliteiten en zonder zijn gelijk ten opzichte van anderen te
willen bewijzen.
Het lot dat de meeste schilders treft, is ook Viegers ten deel
gevallen. Na zijn overlijden ontstond er een langdurige windstilte.
Mede dankzij de inspanningen in de vorm van tentoonstellingen en
publicaties kwam de herwaardering voor het werk van Viegers in de
jaren negentig op gang. De noodzakelijke distantie, die plaatsing in
kunsthistorisch perspectief mogelijk maakt, was toen een hard
gegeven en stond niets de revival meer in de weg. Saillant detail is
dat enkelen van Viegers? tijdgenoten, zoals Henk van Leeuwen, Jos
Lusenburg en Jan van Vuuren, die hem tijdens zijn leven nog leken te
domineren en de verhoudingen bepaalden, nu minder kleurrijk en
minder prominent op de kunsthistorische staalkaart staan vermeld. De
tijd heelt niet alleen alle wonden, maar geeft meestal ook het
gelijk aan degenen die dat uiteindelijk het meest blijken te
verdienen.
De betekenis van Viegers schilderkunst wordt inmiddels in brede
kring erkent. De kunstenaar vertaalde het enthousiasme over zijn
waarnemingen in kleurrijke impressies. Hij volgde zijn persoonlijke
landschapsbeleving en afhankelijk van stemmingen en indrukken
intensifieerde hij de werkelijkheid. Als zijn gevoel om vlammend
rood, fel oranje of helde geel vroeg,, dan gaf hij daar in volle
overtuiging aan toe. Die eigenschappen zijn des te opmerkelijker
omdat de kunstenaar de mediterrane sfeer die hij intuïtief
aanvoelde, nooit persoonlijk onderging. Hij schilderde graag en veel
in de buitenlucht, onderging de landschappen en stadsgezichten aan
den lijve en liet zijn stemming oprecht meespreken in de artistieke
verwerking van de opgedane indrukken. Waar dat mogelijk was, legde
hij vaak voorzichtig expressionistische accenten Waarnemingen en
gewaarwordingen kregen zodoende een gloedvolle uitstraling. De
ervaringen met licht en kleur waren voor Viegers minstens even
belangrijk als de ambachtelijke aspecten van het kunstenaarsschap,
zoals vlotte penseelvoering en trefzekere schilderstrant.
